De vakbonden trotserend, organiseerden Nederlandse docenten landelijke ééndaagse staking

By Harm Zonderland and Parwini Zora
13 november 2019

Duizenden leraren in Nederland op 4.300 basisscholen en middelbare scholen, 80 procent van alle scholen in het hele land, hielden een staking van één dag op woensdag 6 november.

De actie was de laatste in een reeks van massale protesten in het hele land, die een „herfst van ontevredenheid” wordt genoemd. Het vond plaats tijdens een tweedaagse parlementaire behandeling van de onderwijsbegroting voor het jaar 2020.

De staking van woensdag is de tweede na een staking begin februari en is onderdeel van een langdurige strijd voor een beter loon en minder werkdruk. Terwijl 84 procent van de basisscholen een gebrek aan invalleerkrachten hebben, en 20 tot 29 procent van de vacatures onvervuld bleef in 2018, meldt een meerderheid van de leraren in het basisonderwijs te blijven werken ondanks ziekte, hebben vier op de tien scholen geen vervangend personeel en één op de vijf basisscholen en één op de vier scholen voor voortgezet onderwijs hebben openstaande vacatures.

De lerarenstaking in Nederland vindt plaats te midden van enorme uitbarstingen van de klassenstrijd over de hele wereld, en na het verraad van de Chicago Teachers Union (CTU) van een 11-daagse staking, waarin meer dan 25.000 leraren deelnamen, en slechts twee dagen na een staking van bijna 1.600 docenten in Little Rock, Arkansas.

De Nederlandse staking komt nadat de grootste vakbond in de sector, de AOb, haar steun introk toen het kabinet instemde met het verzoek om een eenmalige investering van €460 miljoen toe te wijzen, wat volgens de bond genoeg is om de loonkloof tussen primair en secundair onderwijs te dichten over twee jaar en de werkdruk te verlichten. Sommige rapporten beweren dat slechts €363 miljoen van deze zielige belofte daadwerkelijk nieuwe financiering inhoudt.

In weerwil van deze nep-deal, gesloten tussen de vakbonden en de regering van premier Mark Rutte vorige week, staakten Nederlandse leraren op woensdag, maar waren ongeorganiseerd en gedwongen om individueel en per school te beslissen om al of niet deel te nemen. Als gevolg daarvan bleven geplande, écht massale protesten in de grote Nederlandse steden uit.

In het begin van 2018 organiseerde PO in Actie, een zogenaamde „grassroots” lerarenorganisatie, protestmarsen en stakingen om het kabinet Rutte te dwingen tot kleine budgetcorrecties, die tekort schoten in de aanpak van een systematisch ondergefinancierd openbaar onderwijssysteem dat met miljarden is uitgehold. PO in Actie maakte hierbij handig gebruik van de ontevredenheid van de docenten met hun vakbonden.

Verontrust door de bevindingen van een recente peiling op haar website, waaruit bleek dat leraren bijna unaniem wilden staken in strijd met de vakbond, adviseerde PO in Actie, in toenemende mate in diskrediet gebracht door haar dubbelzinnige rol, om niet naar Den Haag te gaan, maar in plaats daarvan te protesteren op sociale media. Volgens de enquête gaf minder dan 1 procent van de meer dan 11.000 ondervraagde leraren steun aan de deal met de overheid, en de meesten voelden zich niet gehoord door hun vakbonden.

In reactie op de verontwaardiging van de achterban en uit angst voor een uitbraak van duizenden leraren in onafhankelijke actie, veranderden de AOb en de andere grote lerarenbond, CNV Onderwijs van koers op zondag 3 november, om lippendienst te bewijzen aan de staking. AOb voorzitter Liesbeth Verheggen trad met onmiddellijke ingang af terwijl CNV Onderwijs beweerde dat het „een vergissing” was geweest om de staking af te blazen en aankondigde dat leerkrachten die niet naar hun werk gaan, een stakingsuitkering ontvangen.

De moedige staking van Nederlandse docenten laat wederom zien dat er een enorme kloof bestaat tussen werknemers en de vakbonden die beweren hen te vertegenwoordigen. Wanneer werknemers over de hele wereld vastberaden zijn om te vechten voor een verbetering van hun lonen en arbeidsvoorwaarden, wordt deze strijd in het ene na het andere land verraden door de vakbonden en op een nationalistisch dood spoor geleid.

De strijd voor banen, hogere lonen en betere werkomstandigheden vereist een brede, onafhankelijke politieke mobilisatie van de werkende mensen op basis van een revolutionair socialistisch programma. Nederlandse docenten die een einde willen aan de sociale verwoesting en opkomen voor hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden moeten „schouder-aan-schouder” actiecomités vormen in hun scholen, onafhankelijk van de vakbonden, hun zogenaamde „grassroots” apologeten en de kapitalistische politieke partijen waaraan deze nep-groepen zijn gelieerd.

De docentencommissies, democratisch bestuurd door en verantwoording verschuldigd aan de achterban, moeten contact leggen met andere scholen, ouders, studenten en werknemers in Nederland en in internationaal verband.